Faroek Özgünes & Fardau Wagenaar: ‘Laat nooit een ander jouw lot bepalen’

Beiden zijn ze bekroond voor hun baanbrekende onderzoeksjournalistiek. Wat drijft televisiemaker Faroek Özgünes (53) en sportverslaggever Fardau Wagenaar (41)? Een gesprek over tegenwerking en de wil om te winnen.

Interview: Gerben van ’t Hof
Fotografie: Lieven Van Assche

Ze laten trots een foto van hun hond zien. Hij van zijn Duitse dog. Zij van Humpy, een dier dat uit huis was geplaatst en door haar is opgevangen. ‘Rare naam, ontzettend lief.’

Faroek Özgünes en Fardau Wagenaar moesten elkaar vooraf googlen omdat ze elkaar niet kenden. Maar bij een etentje tussen oude machines en roestige steunpilaren in een voormalige fabriekshal van Philips in Eindhoven is het ijs direct gebroken.

De uit Belgisch Limburg afkomstige Özgünes is hét gezicht van de justitie- en misdaadverslaggeving bij de VTM en meervoudig winnaar van de Persprijzen Belfius. Wagenaar legde met twee collega’s van het regionale dagblad Tubantia het financiële wanbeleid bij FC Twente bloot en won daar in 2016 een Tegel voor.

Beiden blinken uit in hun onderzoeksjournalistiek. ‘Het verschil met jou is dat jij een geboren onderzoeksjournalist bent’, zegt Wagenaar. ‘Ik werd het toevallig, bij het volgen van een club.’ Özgünes knikt. Eigenlijk vindt hij onderzoeksjournalistiek maar een lastig genre. ‘Op veel redacties is het een stiefkindje. Je pakt een onderwerp op en zegt tegen de chef dat je niet weet of er iets uitkomt. En als het maanden later toch iets oplevert, is het altijd gedonder. Advocaten, klachten. Mensen die zich onheus bejegend of zelfs bedreigd voelen. Als alle stof is neergedwarreld, komt de voldoening. Dan ben je blij dat je erin bent gedoken.’

Vertel, wat is de gouden tip om prijzen in de wacht te slepen?

‘Wat dacht je van goed je werk doen?’, lacht Wagenaar. ‘Je moet hard tegen de stroom in zwemmen en blijven doorzwemmen. Stop pas als je weet wat je moet weten. Je moet willen winnen.’

‘Dat laatste is heel belangrijk’, vindt ook Özgünes. ‘Jíj moet als overwinnaar uit een interview komen. Het is jouw taak als journalist om personen over wie niemand slecht durft te spreken te ontmaskeren. Vanuit je eigen rechtvaardigheidsgevoel, maar ook omdat mensen ons persoonlijk vragen iets tot op de bodem uit te zoeken.’

Dan moet je dus niet een te lief karakter hebben.

Wagenaar: ‘Een journalist mag best een lief karakter hebben. Hij moet alleen niet te lief zijn in zijn conclusies. Onze nieuwsgaring bij FC Twente was een optelsom van gebeurtenissen en ervaringen. Uiteindelijk besef je dat er niets liefs meer aan is. Dan moet je doorpakken.’

Door er jarenlang bovenop te zitten, ontrafelden Wagenaar en haar collega’s de chaos waarin de voetbalclub verkeerde onder het bewind van voorzitter Joop Munsterman. Hij was destijds óók de baas van Wegener, en dus van hun eigen krant. ‘Daardoor hebben wij ons nooit laten weerhouden’, verzekert de sportjournaliste. ‘We plaatsten gewoon onze vraagtekens bij de aankoop van spelers en financiële constructies. Hoe kon het dat overal op de wereld een financiële crisis heerste en iedereen bij Twente nog steeds met gouden lepels at? Toen we die vraag hardop stelden, wisten we: dan klopt er dus iets niet. Door steeds met elkaar te sparren en gebruik te maken van elkaars kennis en contacten, bleven we op het juiste spoor.’

Je moet wel gedacht hebben: dit gaat niet lukken.

‘Klopt. Iedereen bleef Munsterman geloven. Ik twijfelde aan mezelf. Heb ik het wel goed? Maar we hebben Munsterman weten te ontmaskeren. We hebben elkaar echt versterkt. Als je voor eigen succes gaat, kom je niet zo ver.’

Wagenaar tikt Özgünes aan. ‘Hou jij eigenlijk van voetbal?’

‘Ha! Ik volg de Rode Duivels, maar ik ben een slechte supporter. Zodra ze verliezen, haak ik af.’

Wagenaar grinnikt. ‘Ik vind het een vreselijke sport om te beoefenen. Ik heb met schoolvoetbal een keer een bal weggekopt en daarna een kwartier duizelig naast het veld gelegen. Ik wist meteen, dit is niks voor mij.’

Nog even over die samenwerking: wat is een redactie voor jullie?

Wagenaar: ‘Een verzameling mensen die begrijpen wat je bedoelt. Wat je ook doet. Waar je ook tegenaan loopt. Buiten de deur hoor je regelmatig dat journalisten maar lastige mensen zijn. Op de redactie vind ik allemaal gelijkgestemden. Zij begrijpen waarom ik dit werk doe.’

Absoluut, zegt Özgünes. ‘Maar wat mij altijd heeft verbaasd, is dat je in ons vak al heel snel als een ervaren journalist wordt bestempeld. Je werkt er net een paar jaar en de nieuwkomers vragen jou al hoe ze het moeten doen.

Terwijl je dan zelf nog niet bent uitgeleerd.

‘Het heeft ruim tien jaar geduurd voor ik me zelfverzekerd voelde. Zoiets wordt vaak vergeten, zeker bij de televisie. Nieuwe mensen komen de redactie op en willen allemaal de hemel bestormen. Maar ze houden het vaak niet vol. Soms moet je gas geven, soms juist rust nemen. Je moet fouten durven maken en daarvan leren. Goed worden vraagt veel tijd.’

Is die tijd er nog in de journalistiek?

‘De snelheid van het nieuws verandert. Zodra je iets hebt, raakt dat meteen ondergesneeuwd door andere onderwerpen. In de wereld van de pushberichten móét je de eerste zijn. Gelukkig is het checken van berichten op onze redactie nog altijd belangrijker dan snelheid. Het geeft veel druk, maar het is een heilig principe. Je wilt achteraf niet betrapt worden op een bericht dat niet waar blijkt te zijn. Het haalt je geloofwaardigheid onderuit.’

Wagenaar knikt. ‘Snel staat in ons vak soms gelijk aan oppervlakkig. Daar mag je niet in meegaan. Zorg als medium vooral dat je goed bent. Dan komen de mensen vanzelf wel bij jouw merk uit. Zelfs al die jongeren die geen krant meer lezen en televisie meer kijken, maar de hele dag op sociale media zitten.’

Tv-ster Özgünes komt uit een gastarbeidersgezin. Zijn vader verliet Turkije om in de Limburgse mijnen te werken. Zijn moeder volgde later, maar eenmaal in België strandde hun huwelijk. ‘Ik hing tussen twee culturen en liep als kind een enorme leerachterstand op. Op de middelbare school was mijn Nederlands zo slecht dat ik te horen kreeg dat ik beter een technische opleiding kon gaan doen. Dat was zo’n schok voor mij. Ik werd simpelweg afgeschreven. Maar ik heb me herpakt. In de zomermaanden stortte ik me als een bezetene op de Nederlandse taal. Ik bestudeerde woordenlijsten, maakte zinnetjes. Later ben ik moderne talen gaan studeren, vertaler geworden en uiteindelijk journalist.’

Je zwakke kant is je sterkste kant geworden.

‘Precies. Nog altijd merk ik hoe gevoelig het bij mij ligt. Mijn zoon blijft net als ik vroeger wat achter op school. Als zijn docent daarover begint, krijg ik een déjà vu en word zelfs een beetje opstandig. Mijn ouders waren analfabeet. Zij konden mijn rapporten niet lezen. Stel je voor dat zij het schooladvies zouden hebben gevolgd. Dan was ik nu in het gunstige geval elektricien geweest of zo. Mijn belangrijkste les is: laat nooit een ander jouw lot bepalen. Het moet uit jezelf komen.’

Wat zie jij er trouwens ontzettend netjes uit, klinkt het plotseling. Özgünes’ ogen worden zo groot als schoteltjes bij deze Nederlandse directheid. Dan volgt een bulderende lach. ‘Dank u.’

Wat hebben jullie nodig om in je werk tot bloei te komen?

‘Actie!’ roepen ze in koor. ‘Serieus, als er actie is, zijn we op ons best’, zegt Özgünes. ‘Je moet het nieuws kunnen voelen. Als ik thuiszit, val ik stil. Om goed te presteren heb ik een dynamische omgeving nodig. Ik moet geprikkeld worden.’

Wagenaar schuift enthousiast heen en weer op haar stoel. ‘Onlangs waren er supportersrellen bij het stadion. Dan sta ik vooraan. De redactie belde en zei: ‘Je moet binnen een kwartier een sfeerverslag maken.’ Ik had een slijmbeursontsteking in mijn schouder, maar die heb ik pas een uur later weer gevoeld.’

Özgünes: ‘Op zulke momenten draai je op adrenaline. Je schiet in de journalistieke reflex, doet het gewoon. Het geeft een kick. Daarom blijf ik naast mijn misdaadprogramma graag nieuwsverslaggeving doen. Je krijgt de gebeurtenis op een presenteerblaadje. Voor mijn eigen programma ben ik altijd afhankelijk van iemand die het verhaal vertelt. In de krant kom je nog weg met een anonieme bron. Ik doe daar niet aan. Als je iemand beschuldigt, dan doe je dat in beeld. Het beeld heeft zo’n enorme kracht. Pas vroeg ik een getuige hoe vaak hij heeft gezien dat iemand werd omgekocht. Hij keek omhoog en bewoog zijn vingers. Je zág hem tellen. In de periode tussen de vraag en het antwoord kun je als kijker al bepalen of je hem gelooft of niet.’

Wagenaar: ‘Grappig dat je het zegt. Sommige emoties kan ik niet vangen met mijn pennetje. Dan wordt het dramatisch, theatraal. Dan klopt het niet.’

Wagenaar werkte op een kleine regioredactie in de Achterhoek. Ze bracht avonden door bij gemeenteraadsvergaderingen. ‘Ik aarzelde toen ze mij vroegen op de sportredactie te komen werken. Ik voelde me veilig tussen mijn kleine groep collega’s. Maar ik kwam met een grote grijns uit het gesprek. Ik dacht: nu ga ik mijn leven omgooien. Binnen een week zat ik met de ruiters in Denemarken. Ik wist: dit is het.

‘Als kind ging ik al met mijn vader mee naar PSV. En toen Nederland in 1988 het EK won, was ik totaal begeesterd. Dat moment dat Kees Jansma in het zwembad werd gegooid. Achteraf kun je zeggen dat hij als journalist misschien te close was met de spelers. Het is het wankele koord waarop een sportverslaggever soms balanceert.’

De relatie tussen Wagenaar en FC Twente raakte zo verstoord dat ze niet meer bij de club mocht komen. De druppel was een portret van een speler waarin ze zich vergiste in de Amsterdamse wijk waar hij was opgegroeid. Maar daaraan was al een reeks misverstanden en kibbelpartijen voorafgegaan.

Was de sfeer vergiftigd?

‘O, ja. Ik had lange tijd het gevoel dat er bij alles wat ik schreef een ketting om mijn nek lag die steeds strakker werd getrokken. Op een gegeven moment dacht ik over elk woord na. Het werden enorm afgewogen stukken. Na die boycot voelde ik me bevrijd. Wijzer in plaats van bitter. Ik hoef nu niet bij elk verhaal verantwoording af te leggen. Ik schrijf op wat ik weet en wil schrijven.’

Wanbeleid bij een topclub aankaarten en misdrijven oplossen. Jullie doen werk waarvoor je in andere delen van de wereld gekneveld in een greppel belandt.

‘Niet overdrijven’, vindt Özgünes. ‘Ik ervaar mijn werk niet als gevaarlijk. Ik heb me nooit bedreigd gevoeld. Ik weet dat het gevolg van mijn werk is dat mensen zich ongemakkelijk voelen of zelfs in moeilijkheden komen. Maar laten we eerlijk zijn, een journalist wil impact. Je wilt niet dat iets op antenne gaat en niet eens een rimpeling veroorzaakt. Je kaart iets aan en wilt dat het gevolgen krijgt. Dat er iets mee wordt gedaan.’

‘Kun jij ongezien over straat, Farouk?’, vraagt Wagenaar.

Haar buurman proest het uit. ‘Dat gaat nogal lastig als je een tv-persoonlijkheid bent. Ik word overal herkend. Als ik met jou in Antwerpen zou lopen, kijken ze naar jou, kijken ze naar mij en kijken ze nog een keer naar jou. Kennen we haar? Je wordt echt gescreend. Of er wordt zelfs een foto van ons gemaakt. Want wie is die vrouw? Ik probeer er zo normaal mogelijk mee om te gaan. Ik vind het zelfs wel grappig als mensen blijven stilstaan en zeggen: wacht eens, jij bent Faroek! Haha, dat weet ik zelf ook wel, hè. Als ze een selfie met mij maken, wil ik dat er meer mensen in beeld staan. Gewoon, om verhalen te voorkomen. Je weet dat die foto op Facebook komt, maar niet wat erbij komt te staan. Toch vind ik het belangrijk dat ik als journalist voor iedereen toegankelijk blijf. Zelfs al betekent het dat mensen soms denken dat je al hun problemen oplost. Juridische geschillen, echtscheidingen, complotten. Aantijgingen. Hoeveel post ik alleen al uit de gevangenis krijg, dat houd je niet voor mogelijk.’

Özgünes leerde televisie maken tijdens de militaire dienstplicht. Hij presenteerde het nieuws voor de Belgische militairen die in Duitsland verbleven. ‘Toen ik later bij de VTM solliciteerde, wist ik van tevoren al dat ze op mijn Turkse naam zouden afknappen. Ik gaf daarom twee videocassettes af. Een met een reportage die ik had gemaakt. De ander met mijn motivatie. Twee weken later belde de hoofdredacteur: ‘Ik denk niet dat je geschikt bent.’ ‘Heb je de beelden bekeken?’, vroeg ik. Dat had zij niet.’

Wat deed je toen?

‘Ik heb die man toen zo lopen stalken dat ze me er bij wijze van spreken strafrechtelijk voor hadden kunnen vervolgen. Uiteindelijk ben ik alsnog aangenomen. Met het verhaal van: dat je zo doortastend bent, maakt jou een goede journalist. Onzin, ze hadden me geen eerlijke kans gegeven. Ik voel me geen rolmodel. Ik loop niet de hele dag de succesvolle Turk uit te hangen. Ik doe dit werk omdat ik het wil. Omdat ik het belangrijk vind. En omdat ik me nooit door anderen heb laten tegenhouden. Ik weet nog dat de nieuwschef zei toen ik begon: ‘De eerste week mag je mee om te kijken, de tweede om het statief vast te houden en als je geluk hebt, mag je over een paar weken je eerste reportage maken.’ Ik maakte er op de eerste dag al een. En die werd meteen uitgezonden.’

‘Mooi’, vindt Wagenaar. ‘Ik was lange tijd een van de weinige vrouwen in de voetbaljournalistiek. Mensen vroegen mij telkens of er meer vrouwen zouden moeten komen. Daar gaat het niet om. Je moet het willen. Of je nu man of vrouw bent. Ik druk stagiaires ook altijd op het hart dat ze vooral niet mij moeten willen zijn. Ze moeten hun eigen pad uitstippelen. Ik heb vaak getwijfeld. Ligt het aan mij dat ik anders tegen deze zaak aankijk? Stel ik wel de juiste vragen? Vroeger ervoer ik dat als een last. Nu weet ik dat het mijn kracht is.’

Geboren in Ankara, opgegroeid in Sint-Truiden.
Was in de jaren negentig koningshuisverslaggever voor het VTM-nieuws.
Werd nieuwsanker bij de VTM, maar stopte daarmee in 2011 om zich te kunnen concentreren op zijn rol als justitie-expert bij ‘Het Nieuws’.
Werd het gezicht van het programma ‘Telefacts Crime’, in 2013 omgedoopt tot ‘Faroek’.
Schreef een boek over de parachutemoord, een van de spraakmakendste zaken van de afgelopen jaren.
Is getrouwd, heeft een zoon en een dochter en woont in Putte.
Geboren in Rotterdam. Na een paar dagen verhuisd naar Oost-Nederland.
Deed de School voor Journalistiek en ging in 2002 aan de slag op de regioredactie van Tubantia.
Stapte over naar de sportredactie, waar ze de wantoestanden bij FC Twente blootlegde.
Won daarvoor in 2016 met haar collega’s Gerben Kuitert en Leon ten Voorde een Tegel in de categorie Nieuws.
Is nu clubwatcher bij Heracles.
Runt naast haar journalistieke werk met drie vriendinnen modezaak Fier in Enschede.
Woont met haar vriend in het Achterhoekse Groenlo.

Post comment

Your email address will not be published. Required fields are marked *

© 2017 Campus De Persgroep